Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 8

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּזְכֹּ֤ר אֱלֹהִים֙ אֶת נֹ֔חַ וְ/אֵ֤ת כָּל הַֽ/חַיָּה֙ וְ/אֶת כָּל הַ/בְּהֵמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר אִתּ֖/וֹ בַּ/תֵּבָ֑ה וַ/יַּעֲבֵ֨ר אֱלֹהִ֥ים ר֨וּחַ֙ עַל הָ/אָ֔רֶץ וַ/יָּשֹׁ֖כּוּ הַ/מָּֽיִם־־־־־׃
STATEN

En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.

2
וַ/יִּסָּֽכְרוּ֙ מַעְיְנֹ֣ת תְּה֔וֹם וַֽ/אֲרֻבֹּ֖ת הַ/שָּׁמָ֑יִם וַ/יִּכָּלֵ֥א הַ/גֶּ֖שֶׁם מִן הַ/שָּׁמָֽיִם־׃
STATEN

Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.

3
וַ/יָּשֻׁ֧בוּ הַ/מַּ֛יִם מֵ/עַ֥ל הָ/אָ֖רֶץ הָל֣וֹךְ וָ/שׁ֑וֹב וַ/יַּחְסְר֣וּ הַ/מַּ֔יִם מִ/קְצֵ֕ה חֲמִשִּׁ֥ים וּ/מְאַ֖ת יֽוֹם׃
STATEN

Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.

4
וַ/תָּ֤נַח הַ/תֵּבָה֙ בַּ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שְּׁבִיעִ֔י בְּ/שִׁבְעָה עָשָׂ֥ר י֖וֹם לַ/חֹ֑דֶשׁ עַ֖ל הָרֵ֥י אֲרָרָֽט־׃
STATEN

En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararát.

5
וְ/הַ/מַּ֗יִם הָיוּ֙ הָל֣וֹךְ וְ/חָס֔וֹר עַ֖ד הַ/חֹ֣דֶשׁ הָֽ/עֲשִׂירִ֑י בָּֽ/עֲשִׂירִי֙ בְּ/אֶחָ֣ד לַ/חֹ֔דֶשׁ נִרְא֖וּ רָאשֵׁ֥י הֶֽ/הָרִֽים׃
STATEN

En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op den eersten der maand, werden de toppen der bergen gezien.

6
וַֽ/יְהִ֕י מִ/קֵּ֖ץ אַרְבָּעִ֣ים י֑וֹם וַ/יִּפְתַּ֣ח נֹ֔חַ אֶת חַלּ֥וֹן הַ/תֵּבָ֖ה אֲשֶׁ֥ר עָשָֽׂה־׃
STATEN

En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, dat hij gemaakt had, opendeed.

7
וַ/יְשַׁלַּ֖ח אֶת הָֽ/עֹרֵ֑ב וַ/יֵּצֵ֤א יָצוֹא֙ וָ/שׁ֔וֹב עַד יְבֹ֥שֶׁת הַ/מַּ֖יִם מֵ/עַ֥ל הָ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN

En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren.

8
וַ/יְשַׁלַּ֥ח אֶת הַ/יּוֹנָ֖ה מֵ/אִתּ֑/וֹ לִ/רְאוֹת֙ הֲ/קַ֣לּוּ הַ/מַּ֔יִם מֵ/עַ֖ל פְּנֵ֥י הָֽ/אֲדָמָֽה־׃
STATEN

Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem.

9
וְ/לֹֽא מָצְאָה֩ הַ/יּוֹנָ֨ה מָנ֜וֹחַ לְ/כַף רַגְלָ֗/הּ וַ/תָּ֤שָׁב אֵלָי/ו֙ אֶל הַ/תֵּבָ֔ה כִּי מַ֖יִם עַל פְּנֵ֣י כָל הָ/אָ֑רֶץ וַ/יִּשְׁלַ֤ח יָד/וֹ֙ וַ/יִּקָּחֶ֔/הָ וַ/יָּבֵ֥א אֹתָ֛/הּ אֵלָ֖י/ו אֶל הַ/תֵּבָֽה־־־־־־־׃
STATEN

Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren op de ganse aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark.

10
וַ/יָּ֣חֶל ע֔וֹד שִׁבְעַ֥ת יָמִ֖ים אֲחֵרִ֑ים וַ/יֹּ֛סֶף שַׁלַּ֥ח אֶת הַ/יּוֹנָ֖ה מִן הַ/תֵּבָֽה־־׃
STATEN

En hij verbeidde nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif wederom uit de ark.

11
וַ/תָּבֹ֨א אֵלָ֤י/ו הַ/יּוֹנָה֙ לְ/עֵ֣ת עֶ֔רֶב וְ/הִנֵּ֥ה עֲלֵה זַ֖יִת טָרָ֣ף בְּ/פִ֑י/הָ וַ/יֵּ֣דַע נֹ֔חַ כִּי קַ֥לּוּ הַ/מַּ֖יִם מֵ/עַ֥ל הָ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN

En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.

12
וַ/יִּיָּ֣חֶל ע֔וֹד שִׁבְעַ֥ת יָמִ֖ים אֲחֵרִ֑ים וַ/יְשַׁלַּח֙ אֶת הַ/יּוֹנָ֔ה וְ/לֹֽא יָסְפָ֥ה שׁוּב אֵלָ֖י/ו עֽוֹד־־־׃
STATEN

Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 8

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →