Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 35

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּ֤אמֶר אֱלֹהִים֙ אֶֽל יַעֲקֹ֔ב ק֛וּם עֲלֵ֥ה בֵֽית אֵ֖ל וְ/שֶׁב שָׁ֑ם וַ/עֲשֵׂה שָׁ֣ם מִזְבֵּ֔חַ לָ/אֵל֙ הַ/נִּרְאֶ֣ה אֵלֶ֔י/ךָ בְּ/בָרְחֲ/ךָ֔ מִ/פְּנֵ֖י עֵשָׂ֥ו אָחִֽי/ךָ־־־־׃
STATEN

Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.

2
וַ/יֹּ֤אמֶר יַעֲקֹב֙ אֶל בֵּית֔/וֹ וְ/אֶ֖ל כָּל אֲשֶׁ֣ר עִמּ֑/וֹ הָסִ֜רוּ אֶת אֱלֹהֵ֤י הַ/נֵּכָר֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/תֹכְ/כֶ֔ם וְ/הִֽטַּהֲר֔וּ וְ/הַחֲלִ֖יפוּ שִׂמְלֹתֵי/כֶֽם־־־׃
STATEN

Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;

3
וְ/נָק֥וּמָה וְ/נַעֲלֶ֖ה בֵּֽית אֵ֑ל וְ/אֶֽעֱשֶׂה שָּׁ֣ם מִזְבֵּ֗חַ לָ/אֵ֞ל הָ/עֹנֶ֤ה אֹתִ/י֙ בְּ/י֣וֹם צָֽרָתִ֔/י וַ/יְהִי֙ עִמָּדִ֔/י בַּ/דֶּ֖רֶךְ אֲשֶׁ֥ר הָלָֽכְתִּי־־׃
STATEN

En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, dien ik gewandeld heb.

4
וַ/יִּתְּנ֣וּ אֶֽל יַעֲקֹ֗ב אֵ֣ת כָּל אֱלֹהֵ֤י הַ/נֵּכָר֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/יָדָ֔/ם וְ/אֶת הַ/נְּזָמִ֖ים אֲשֶׁ֣ר בְּ/אָזְנֵי/הֶ֑ם וַ/יִּטְמֹ֤ן אֹתָ/ם֙ יַעֲקֹ֔ב תַּ֥חַת הָ/אֵלָ֖ה אֲשֶׁ֥ר עִם שְׁכֶֽם־־־־׃
STATEN

Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.

5
וַ/יִּסָּ֑עוּ וַ/יְהִ֣י חִתַּ֣ת אֱלֹהִ֗ים עַל הֶֽ/עָרִים֙ אֲשֶׁר֙ סְבִיבֹ֣תֵי/הֶ֔ם וְ/לֹ֣א רָֽדְפ֔וּ אַחֲרֵ֖י בְּנֵ֥י יַעֲקֹֽב׀־׃
STATEN

En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.

6
וַ/יָּבֹ֨א יַעֲקֹ֜ב ל֗וּזָ/ה אֲשֶׁר֙ בְּ/אֶ֣רֶץ כְּנַ֔עַן הִ֖וא בֵּֽית אֵ֑ל ה֖וּא וְ/כָל הָ/עָ֥ם אֲשֶׁר עִמּֽ/וֹ־־־׃
STATEN

Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaän (dat is Beth-El), hij en al het volk, dat bij hem was.

7
וַ/יִּ֤בֶן שָׁם֙ מִזְבֵּ֔חַ וַ/יִּקְרָא֙ לַ/מָּק֔וֹם אֵ֖ל בֵּֽית אֵ֑ל כִּ֣י שָׁ֗ם נִגְל֤וּ אֵלָי/ו֙ הָֽ/אֱלֹהִ֔ים בְּ/בָרְח֖/וֹ מִ/פְּנֵ֥י אָחִֽי/ו־׃
STATEN

En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.

8
וַ/תָּ֤מָת דְּבֹרָה֙ מֵינֶ֣קֶת רִבְקָ֔ה וַ/תִּקָּבֵ֛ר מִ/תַּ֥חַת לְ/בֵֽית אֵ֖ל תַּ֣חַת הָֽ/אַלּ֑וֹן וַ/יִּקְרָ֥א שְׁמ֖/וֹ אַלּ֥וֹן בָּכֽוּת־׃פ
STATEN

En Debóra, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El, onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Báchuth.

9
וַ/יֵּרָ֨א אֱלֹהִ֤ים אֶֽל יַעֲקֹב֙ ע֔וֹד בְּ/בֹא֖/וֹ מִ/פַּדַּ֣ן אֲרָ֑ם וַ/יְבָ֖רֶךְ אֹתֽ/וֹ־׃
STATEN

En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; en Hij zegende hem.

10
וַ/יֹּֽאמֶר ל֥/וֹ אֱלֹהִ֖ים שִׁמְ/ךָ֣ יַעֲקֹ֑ב לֹֽא יִקָּרֵא֩ שִׁמְ/ךָ֨ ע֜וֹד יַעֲקֹ֗ב כִּ֤י אִם יִשְׂרָאֵל֙ יִהְיֶ֣ה שְׁמֶ֔/ךָ וַ/יִּקְרָ֥א אֶת שְׁמ֖/וֹ יִשְׂרָאֵֽל־־־־׃
STATEN

En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.

11
וַ/יֹּאמֶר֩ ל֨/וֹ אֱלֹהִ֜ים אֲנִ֨י אֵ֤ל שַׁדַּי֙ פְּרֵ֣ה וּ/רְבֵ֔ה גּ֛וֹי וּ/קְהַ֥ל גּוֹיִ֖ם יִהְיֶ֣ה מִמֶּ֑/ךָּ וּ/מְלָכִ֖ים מֵ/חֲלָצֶ֥י/ךָ יֵצֵֽאוּ׃
STATEN

Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.

12
וְ/אֶת הָ/אָ֗רֶץ אֲשֶׁ֥ר נָתַ֛תִּי לְ/אַבְרָהָ֥ם וּ/לְ/יִצְחָ֖ק לְ/ךָ֣ אֶתְּנֶ֑/נָּה וּֽ/לְ/זַרְעֲ/ךָ֥ אַחֲרֶ֖י/ךָ אֶתֵּ֥ן אֶת הָ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN

En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 35

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 35 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →