Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 28

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּקְרָ֥א יִצְחָ֛ק אֶֽל יַעֲקֹ֖ב וַ/יְבָ֣רֶךְ אֹת֑/וֹ וַ/יְצַוֵּ֨/הוּ֙ וַ/יֹּ֣אמֶר ל֔/וֹ לֹֽא תִקַּ֥ח אִשָּׁ֖ה מִ/בְּנ֥וֹת כְּנָֽעַן־־׃
STATEN

En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän.

2
ק֥וּם לֵךְ֙ פַּדֶּ֣נָֽ/ה אֲרָ֔ם בֵּ֥יתָ/ה בְתוּאֵ֖ל אֲבִ֣י אִמֶּ֑/ךָ וְ/קַח לְ/ךָ֤ מִ/שָּׁם֙ אִשָּׁ֔ה מִ/בְּנ֥וֹת לָבָ֖ן אֲחִ֥י אִמֶּֽ/ךָ־׃
STATEN

Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuël, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.

3
וְ/אֵ֤ל שַׁדַּי֙ יְבָרֵ֣ךְ אֹֽתְ/ךָ֔ וְ/יַפְרְ/ךָ֖ וְ/יַרְבֶּ֑/ךָ וְ/הָיִ֖יתָ לִ/קְהַ֥ל עַמִּֽים׃
STATEN

En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.

4
וְ/יִֽתֶּן לְ/ךָ֙ אֶת בִּרְכַּ֣ת אַבְרָהָ֔ם לְ/ךָ֖ וּ/לְ/זַרְעֲ/ךָ֣ אִתָּ֑/ךְ לְ/רִשְׁתְּ/ךָ֙ אֶת אֶ֣רֶץ מְגֻרֶ֔י/ךָ אֲשֶׁר נָתַ֥ן אֱלֹהִ֖ים לְ/אַבְרָהָֽם־־־־׃
STATEN

En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.

5
וַ/יִּשְׁלַ֤ח יִצְחָק֙ אֶֽת יַעֲקֹ֔ב וַ/יֵּ֖לֶךְ פַּדֶּ֣נָֽ/ה אֲרָ֑ם אֶל לָבָ֤ן בֶּן בְּתוּאֵל֙ הָֽ/אֲרַמִּ֔י אֲחִ֣י רִבְקָ֔ה אֵ֥ם יַעֲקֹ֖ב וְ/עֵשָֽׂו־־־׃
STATEN

Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuël, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.

6
וַ/יַּ֣רְא עֵשָׂ֗ו כִּֽי בֵרַ֣ךְ יִצְחָק֮ אֶֽת יַעֲקֹב֒ וְ/שִׁלַּ֤ח אֹת/וֹ֙ פַּדֶּ֣נָֽ/ה אֲרָ֔ם לָ/קַֽחַת ל֥/וֹ מִ/שָּׁ֖ם אִשָּׁ֑ה בְּ/בָרֲכ֣/וֹ אֹת֔/וֹ וַ/יְצַ֤ו עָלָי/ו֙ לֵ/אמֹ֔ר לֹֽא תִקַּ֥ח אִשָּׁ֖ה מִ/בְּנ֥וֹת כְּנָֽעַן־־־־׃
STATEN

Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;

7
וַ/יִּשְׁמַ֣ע יַעֲקֹ֔ב אֶל אָבִ֖י/ו וְ/אֶל אִמּ֑/וֹ וַ/יֵּ֖לֶךְ פַּדֶּ֥נָֽ/ה אֲרָֽם־־׃
STATEN

En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;

8
וַ/יַּ֣רְא עֵשָׂ֔ו כִּ֥י רָע֖וֹת בְּנ֣וֹת כְּנָ֑עַן בְּ/עֵינֵ֖י יִצְחָ֥ק אָבִֽי/ו׃
STATEN

En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;

9
וַ/יֵּ֥לֶךְ עֵשָׂ֖ו אֶל יִשְׁמָעֵ֑אל וַ/יִּקַּ֡ח אֶֽת מָחֲלַ֣ת בַּת יִשְׁמָעֵ֨אל בֶּן אַבְרָהָ֜ם אֲח֧וֹת נְבָי֛וֹת עַל נָשָׁ֖י/ו ל֥/וֹ לְ/אִשָּֽׁה־־׀־־־׃ס
STATEN

Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Máhalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebájoth.

10
וַ/יֵּצֵ֥א יַעֲקֹ֖ב מִ/בְּאֵ֣ר שָׁ֑בַע וַ/יֵּ֖לֶךְ חָרָֽנָ/ה׃
STATEN

Jakob dan toog uit van Ber-séba, en ging naar Haran.

11
וַ/יִּפְגַּ֨ע בַּ/מָּק֜וֹם וַ/יָּ֤לֶן שָׁם֙ כִּי בָ֣א הַ/שֶּׁ֔מֶשׁ וַ/יִּקַּח֙ מֵ/אַבְנֵ֣י הַ/מָּק֔וֹם וַ/יָּ֖שֶׂם מְרַֽאֲשֹׁתָ֑י/ו וַ/יִּשְׁכַּ֖ב בַּ/מָּק֥וֹם הַ/הֽוּא־׃
STATEN

En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.

12
וַֽ/יַּחֲלֹ֗ם וְ/הִנֵּ֤ה סֻלָּם֙ מֻצָּ֣ב אַ֔רְצָ/ה וְ/רֹאשׁ֖/וֹ מַגִּ֣יעַ הַ/שָּׁמָ֑יְמָ/ה וְ/הִנֵּה֙ מַלְאֲכֵ֣י אֱלֹהִ֔ים עֹלִ֥ים וְ/יֹרְדִ֖ים בּֽ/וֹ׃
STATEN

En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 28

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 28 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →