Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 48

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֗י אַחֲרֵי֙ הַ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/יוֹסֵ֔ף הִנֵּ֥ה אָבִ֖י/ךָ חֹלֶ֑ה וַ/יִּקַּ֞ח אֶת שְׁנֵ֤י בָנָי/ו֙ עִמּ֔/וֹ אֶת מְנַשֶּׁ֖ה וְ/אֶת אֶפְרָֽיִם־־־׃
STATEN

Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraïm!

2
וַ/יַּגֵּ֣ד לְ/יַעֲקֹ֔ב וַ/יֹּ֕אמֶר הִנֵּ֛ה בִּנְ/ךָ֥ יוֹסֵ֖ף בָּ֣א אֵלֶ֑י/ךָ וַ/יִּתְחַזֵּק֙ יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יֵּ֖שֶׁב עַל הַ/מִּטָּֽה־׃
STATEN

En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israël, en zat op het bed.

3
וַ/יֹּ֤אמֶר יַעֲקֹב֙ אֶל יוֹסֵ֔ף אֵ֥ל שַׁדַּ֛י נִרְאָֽה אֵלַ֥/י בְּ/ל֖וּז בְּ/אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וַ/יְבָ֖רֶךְ אֹתִֽ/י־־׃
STATEN

Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend;

4
וַ/יֹּ֣אמֶר אֵלַ֗/י הִנְ/נִ֤י מַפְרְ/ךָ֙ וְ/הִרְבִּיתִ֔/ךָ וּ/נְתַתִּ֖י/ךָ לִ/קְהַ֣ל עַמִּ֑ים וְ/נָ֨תַתִּ֜י אֶת הָ/אָ֧רֶץ הַ/זֹּ֛את לְ/זַרְעֲ/ךָ֥ אַחֲרֶ֖י/ךָ אֲחֻזַּ֥ת עוֹלָֽם־׃
STATEN

En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.

5
וְ/עַתָּ֡ה שְׁנֵֽי בָנֶי/ךָ֩ הַ/נּוֹלָדִ֨ים לְ/ךָ֜ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֗יִם עַד בֹּאִ֥/י אֵלֶ֛י/ךָ מִצְרַ֖יְמָ/ה לִ/י הֵ֑ם אֶפְרַ֨יִם֙ וּ/מְנַשֶּׁ֔ה כִּ/רְאוּבֵ֥ן וְ/שִׁמְע֖וֹן יִֽהְיוּ לִֽ/י־־־־׃
STATEN

Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.

6
וּ/מוֹלַדְתְּ/ךָ֛ אֲשֶׁר הוֹלַ֥דְתָּ אַחֲרֵי/הֶ֖ם לְ/ךָ֣ יִהְי֑וּ עַ֣ל שֵׁ֧ם אֲחֵי/הֶ֛ם יִקָּרְא֖וּ בְּ/נַחֲלָתָֽ/ם־׃
STATEN

Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.

7
וַ/אֲנִ֣י בְּ/בֹאִ֣/י מִ/פַּדָּ֗ן מֵ֩תָה֩ עָלַ֨/י רָחֵ֜ל בְּ/אֶ֤רֶץ כְּנַ֨עַן֙ בַּ/דֶּ֔רֶךְ בְּ/ע֥וֹד כִּבְרַת אֶ֖רֶץ לָ/בֹ֣א אֶפְרָ֑תָה וָ/אֶקְבְּרֶ֤/הָ שָּׁם֙ בְּ/דֶ֣רֶךְ אֶפְרָ֔ת הִ֖וא בֵּ֥ית לָֽחֶם׀־׃
STATEN

Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.

8
וַ/יַּ֥רְא יִשְׂרָאֵ֖ל אֶת בְּנֵ֣י יוֹסֵ֑ף וַ/יֹּ֖אמֶר מִי אֵֽלֶּה־־׃
STATEN

En Israël zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?

9
וַ/יֹּ֤אמֶר יוֹסֵף֙ אֶל אָבִ֔י/ו בָּנַ֣/י הֵ֔ם אֲשֶׁר נָֽתַן לִ֥/י אֱלֹהִ֖ים בָּ/זֶ֑ה וַ/יֹּאמַ֕ר קָֽחֶ/ם נָ֥א אֵלַ֖/י וַ/אֲבָרֲכֵֽ/ם־־־־׃
STATEN

En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!

10
וְ/עֵינֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ כָּבְד֣וּ מִ/זֹּ֔קֶן לֹ֥א יוּכַ֖ל לִ/רְא֑וֹת וַ/יַּגֵּ֤שׁ אֹתָ/ם֙ אֵלָ֔י/ו וַ/יִּשַּׁ֥ק לָ/הֶ֖ם וַ/יְחַבֵּ֥ק לָ/הֶֽם׃
STATEN

Doch de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.

11
וַ/יֹּ֤אמֶר יִשְׂרָאֵל֙ אֶל יוֹסֵ֔ף רְאֹ֥ה פָנֶ֖י/ךָ לֹ֣א פִלָּ֑לְתִּי וְ/הִנֵּ֨ה הֶרְאָ֥ה אֹתִ֛/י אֱלֹהִ֖ים גַּ֥ם אֶת זַרְעֶֽ/ךָ־־׃
STATEN

En Israël zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!

12
וַ/יּוֹצֵ֥א יוֹסֵ֛ף אֹתָ֖/ם מֵ/עִ֣ם בִּרְכָּ֑י/ו וַ/יִּשְׁתַּ֥חוּ לְ/אַפָּ֖י/ו אָֽרְצָ/ה׃
STATEN

Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieën; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 48

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 48 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →